Ziektes en aandoeningen

Kliermaag verwijdingssyndroom

Dit is een aandoening die voorkomt bij papegaai- en parkietachtigen. De ziekte kan zich ontwikkelen na besmetting met een bornavirus.

Het komt het meest voor bij jongere vogels, maar ook ouderen kunnen verschijnselen ontwikkelen. De verschijnselen worden veroorzaakt door een aantasting van de hersenen en van de zenuwen van kliermaag, spiermaag en voorste deel van de dunne darm.  De spieractiviteit van deze organen wordt hierdoor minder, en ze zullen uitrekken.

Dit zorgt ervoor dat er geen goed transport meer is van voedsel naar verder gelegen delen van het maagdarmkanaal. Hierdoor ontstaat onder andere braken, er kan onverteerd voer in de ontlasting zitten, de vogels worden mager en sloom. De verschijnselen kunnen binnen 3 weken na besmetting optreden maar soms worden pas verschijnselen gezien jaren na de blootstelling aan het virus.

 

Naast de verschijnselen die direct door de zenuwaantasting veroorzaakt worden, kunnen de vogels vatbaarder zijn voor bijkomende infecties. Zo is de krop vaak lange tijd gevuld doordat er slechter transport naar de kliermaag is. Er kan in deze situatie makkelijk kropverzuring optreden. Ook wordt er soms diarree gezien, dit wordt dan veroorzaakt door bacteriën of schimmels die hun kans grijpen. Ze kunnen zich snel vermenigvuldigen doordat de darminhoud niet goed verteert is, hierin zitten dan meer voedingsstoffen dan bij een gezonde vogel.

Naast de zenuwen van het maagdarmkanaal die aangetast worden, kunnen bij sommige vogels ook andere zenuwen betrokken zijn. Vogels kunnen zwak worden in de poten als het ruggenmerg of de pootzenuwen worden aangetast. Als de ziekte de hersenen bereikt, kunnen de vogels wankel worden, draainekken en verlamd raken.

 

Diagnose

Er zijn verschillende manieren om het virus aan te tonen. Er kan het DNA van het virus worden aangetoond in het bloed. Ook kunnen er antistoffen worden gemeten die de vogel aanmaakt als gevolg van de besmetting met het virus.

Het voordeel van deze testen is dat ook vogels die (nog) niet zichtbaar ziek zijn, wel gevonden worden. Dit is belangrijk om verspreiding in een volière of huishouden te voorkomen.

 

Als een vogel is overleden aan de ziekte, kan er aan de staat van de organen vaak wel een waarschijnlijkheidsdiagnose worden gesteld.

Er kunnen biopten genomen worden van de spier en kliermaag die onder de microscoop bekeken worden. Er wordt dan beoordeeld hoe het met de staat van de zenuwen is. Als deze voor het grootste deel afwezig zijn is de diagnose gesteld. Dit kan gemakkelijk gedaan worden bij een dode vogel. Als de vogel nog leeft kunnen deze biopten ook genomen worden, maar er is dan een extra risico van de narcose en operatie.

 

Als de vogel nog in leven is kunnen röntgenfoto’s gemaakt worden, hierop kan dan een uitgerekte kliermaag gezien worden. Als er verschillende foto’s met tussenpozen gemaakt worden kan ook een vertraagde maaglediging vastgesteld worden. Als dit allemaal aanwezig is, is de diagnose waarschijnlijk, maar niet 100% zeker. Ook andere aandoeningen kunnen namelijk deze verschijnselen vertonen, bijvoorbeeld tumoren die de uitgang van de kliermaag deels blokkeren.

 

 

Behandeling

Er is tot nu toe geen behandeling mogelijk. Wel kan er een ondersteunende behandeling gegeven worden. Dit bestaat uit het opheffen van verstoppingen. Daarna kan een zacht of vloeibaar voedsel gevoerd worden, hiervan is het transport gemakkelijker. Ook pellets lijken de vogels gemakkelijker te kunnen verwerken dan zaden. Naast aanpassing van het voer, moet er goed op gelet worden dat er geen infecties spelen. Deze moeten ook behandeld worden.

 

Aangezien de ziekte steeds verder gaat is de prognose slecht.